


Een taxi-ondernemer die met zijn familie een vakantierit naar Spanje maakt, mag deze rit opgeven als taxivervoer. Mits voor de rit betaald wordt. Dat blijkt uit een recente rechtbankuitspraak bij een geschil over de naheffing.
Taxibedrijven kunnen over hun taxi’s bpm terugvragen van de Belastingdienst. Dan moeten de auto’s wel voor minstens negentig procent voor taxivervoer worden gebruikt. De taxi-ondernemer gebruikte in verschillende jaren twee van zijn drie auto’s voor familie-vakantieritten naar Spanje. Per vakantie werd er zo’n 3.500 kilometer gereden, waarvoor 2.275 euro als omzet in de resultatenrekening werd verwerkt. De Belastinginspecteur vond dat de ritten niet als taxivervoer telden en daardoor werd er niet voldaan aan het 90%-criterium. Hij corrigeerde twee jaar aan bpm-teruggaaf à 6.121 en 5.662 euro.
De taxi-ondernemer vocht de bpm-correctie aan voor de rechtbank. Volgens hem moesten de ritten wel als taxivervoer worden gezien. Volgens de Wet Personenenvervoer is de definitie van taxivervoer ‘personenvervoer tegen betaling’. Hierbij moet de betaling de kosten van de rit overtreffen. Volgens de ondernemer was dit het geval.
De rechter oordeelde dat de bpm-teruggaaf gegrond was.
